Grondwettelijk Hof - arrest 65/2006 van 3 mei 2006

Aard:
Prejudicieel arrest van het Grondwettelijk Hof

Datum:
3 mei 2006

Identificatie:
Arrest Grondwettelijk Hof nr. 65/2006 van 3 mei 2006
https://www.const-court.be/ 
http://www.const-court.be/public/n/2006/2006-065n.pdf

Trefwoorden:
Bestuursrecht - Gebruik van de talen in bestuurszaken - Randgemeenten - Franstalige gemeentelijke basisscholen - Rechtspositie van het personeel - Benoemingsvoorwaarden - Bewijs van de kennis van de Nederlandse taal - Getuigschrift "grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs" - Afwezigheid van afwijking - Bevoegdheid van Selor - Niveau van de taalkennis - Rechten en vrijheden - Vrijheid van onderwijs.

Uitspraak:
Geen schending wat de art. 1, § 1, 1°, 23 en 27 van de wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 (SWT) betreft - Schending wat artikel 53 SWT betreft: lacune in de wetgeving - De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Situering:
Benoemingsbesluiten van leden van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen van enkele randgemeenten waren door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant geschorst en door de minister van Binnenlandse Aangelegenheden vernietigd. De gemeentebesturen trokken naar de Raad van State. De Raad stelde een aantal prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof (voorheen Arbitragehof). Zo werd aan het Grondwettelijk Hof gevraagd of (1) de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en de wet op het gebruik van de talen in het onderwijs op het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen van de randgemeenten cumulatief van toepassing zijn en (2) of sommige van die bepalingen al dan niet verenigbaar zijn met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie en met de grondwettelijke vrijheden van onderwijs en taalgebruik. Daarnaast (3) stelde zich de praktische vraag of het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten, uitsluitend door te slagen voor een door SELOR georganiseerd examen, het bewijs van kennis van het Nederlands kan leveren, zelfs indien het reeds het bewijs heeft geleverd van de kennis van het Nederlands als onderwijstaal en dus bekwaam geacht wordt in het Nederlands te onderwijzen.

In rechte:
1. Het is de verwijzende rechter - de Raad van State dus - en niet het Grondwettelijk Hof die bepaalt welke normen van toepassing zijn op het aan hem voorgelegde geschil. De Raad van State is van oordeel dat de in het geding zijnde bepalingen van de Taalwet bestuurszaken van toepassing zijn op de benoeming en de bevordering van de leden van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten. Zij vallen immers als personeelsleden van een gemeente onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, 1°, van de Taalwet bestuurszaken. De rol van het Grondwettelijk Hof bestaat erin te onderzoeken of de bepalingen, in de interpretatie die de Raad van State eraan geeft, in overeenstemming zijn met de bepalingen waarvan het Grondwettelijk Hof de naleving verzekert.

2. Het Grondwettelijk Hof stelt: "Krachtens artikel 1, § 1, 1°, van de bestuurstaalwet zijn de personeelsleden van onderwijsinstellingen waarvan de onderwijstaal het Frans is en die geen "schooloverheden" zijn in de zin van artikel 1, § 1, 4°, van dezelfde wet, wat hun onderwijs betreft, niet aan die wet onderworpen maar aan de bepalingen van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, meer bepaald het voormelde artikel 15 ervan. In zoverre zij hun ambt uitoefenen in een van de gemeenten die zijn bedoeld in artikel 23 van de bestuurstaalwet, moeten die leerkrachten evenwel het Nederlands gebruiken in de omstandigheden die in dat artikel zijn vermeld, zodat hun aanwerving en hun bevordering zijn onderworpen aan de vereisten van artikel 27 van dezelfde wet." (arrest 65/2006 van 3 mei 2006, B.9.2.)

3. Gebruik en kennis van de bestuurstaal van het taalgebied

3.1. Grondwettelijke vrijheid van onderwijs: de vrijheid om onderwijs in te richten, waarop Sint-Genesius-Rode en Wezembeek-Oppem zich beroepen, moet in samenhang gelezen worden met artikel 4 van de Grondwet. Dat artikel houdt in dat randgemeenten, wanneer zij Franstalig onderwijs inrichten, ook oog moeten hebben voor de voorwaarden inzake taalgebruik en taalkennis vermeld in de Taalwet bestuurszaken. De vrijheid van onderwijs staat er niet aan in de weg dat bijkomende voorwaarden inzake taalgebruik en taalkennis worden opgelegd die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de gemeentelijke organisatie waartoe men als (onderwijzend) personeelslid toetreedt. Artikel 24 GW is niet geschonden (arrest 65/2006 van 3 mei 2006, B.13.1. & B.13.2.).

3.2. Grondwettelijke vrijheid van taalgebruik: de artikelen 1, § 1, 1°, en 23 van de Taalwet bestuurszaken regelen het gebruik van de talen voor handelingen van het openbaar gezag. Er is dus voldaan aan de in artikel 30 van de Grondwet bepaalde voorwaarden voor de regeling van het taalgebruik. De wetgever kan niet worden verweten dat hij bij de regeling van het gebruik van de talen in bestuurszaken de fundamentele vrijheid van het individu om zich van de taal van zijn keuze te bedienen, niet verzoend heeft met de goede werking van de lokale bestuursorganisatie. Artikel 27 regelt niet het gebruik van de talen maar schrijft een taalkennisvereiste voor. Het is een noodzakelijk aanhangsel van artikel 23. Artikel 30 GW is niet geschonden (arrest 65/2006 van 3 mei 2006, B.16.).

3.3. Grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel: het verschil in behandeling tussen de leden van het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten die het bewijs moeten leveren van de kennis van de bestuurstaal en van de onderwijstaal enerzijds en de leden van het onderwijzend personeel van andere gemeentelijke basisscholen die alleen het bewijs van kennis van de onderwijstaal moeten leveren, berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet bijzonder taalstatuut binnen een eentalig taalgebied waar de gemeentelijke basisschool gevestigd is. De bepalingen van de Taalwet bestuurszaken zijn pertinent om de door de wetgever nagestreefde doelstelling van voorrang van de taal van het taalgebied (cf. art. 4 GW) te verwezenlijken. De toekenning van faciliteiten inzake onderwijs aan de Franstalige ouders en kinderen kan er niet toe leiden dat afbreuk gedaan wordt aan de vereisten inzake het gebruik van de taal van het taalgebied en inzake taalkennis binnen de diensten van de randgemeenten en ten aanzien van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen op hun grondgebied. De wettelijke regeling inzake taalgebruik en taalkennis is niet onevenredig met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. Artikelen 10 en 11 GW, al dan niet in samenhang gelezen met artikelen 24 en 30 GW, zijn niet geschonden (arrest 65/2006 van 3 mei 2006, B. 17.2., 17.3., 17.4).

4. Bewijs van kennis van de bestuurstaal

4.1. Wanneer kandidaten voor een ambt van lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente in het bezit zijn van een getuigschrift "grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs" uitgereikt door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap ingesteld ter uitvoering van artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, is de verplichting om zich nogmaals te onderwerpen aan een door SELOR georganiseerd taalexamen onevenredig met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. (arrest 65/2006 van 3 mei 2006, B.26.1.)

4.2. Wanneer kandidaten voor een ambt van lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente in het bezit zijn van een bewijs waaruit blijkt dat zij het Frans als onderwijstaal kennen, is het gerechtvaardigd te eisen dat zij een kennis hebben van het Nederlands, met toepassing van artikelen 23 en 27 van de Taalwet bestuurszaken. (arrest 65/2006 van 3 mei 2006, B.27.1.)

4.3. Het Grondwettelijk Hof merkt op dat rekening gehouden moet worden met het feit dat die leerkrachten zijn benoemd om onderwijs in het Frans te verstrekken in scholen waarvan de onderwijstaal het Frans is. Daarom is het niet verantwoord om voor hen dezelfde eisen inzake het niveau van de kennis van de taal van het taalgebied te stellen als voor de schooloverheden en de andere gemeentelijke ambtenaren. (arrest 65/2006 van 3 mei 2006, B.27.2.)

5. In zoverre artikel 53 van de Taalwet bestuurszaken geen bepaling bevat die de Koning machtigt SELOR toe te staan het niveau van de taalkennis aan te passen aan de aard van de uitgeoefende functie, heeft het onevenredige gevolgen en is het in die mate niet in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. (arrest 65/2006 van 3 mei 2006, B.27.3.)

Opmerking:
In zijn arrest nr. 167.109 van 25 januari 2007 deed de Raad van State einduitspraak waarbij gesteund werd op het prejudicieel arrest van het Grondwettelijk Hof zoals hierboven geschetst.
De Raad van State vernietigde de beslissing van de gouverneur waarbij de benoemingsbesluiten waren vernietigd. De vernietiging werd aldus ongedaan gemaakt.

Aan te stippen valt dat de Raad van State deze rechtspraak nog bevestigde in zijn arrest nr. 181 886 van 10 april 2008: zie T. Gem. 2008, (243), 145.

Achteraf stuurde de gouverneur van Vlaams-Brabant daarenboven richtlijnen in overeenstemming met die arresten van de Raad van State aan de gemeentebesturen om de rechtszekerheid te vrijwaren.